Poëzie is een daad van bevestiging

De laatste keer dat ik Remco Campert op televisie zag, hoorde ik hem zeggen dat hij nog zoveel moest schrijven, dat hij niet met leven op kon houden. Een gedreven schrijver en vooral dichter, want zo ziet hij zichzelf het liefste. Ik was daar wel jaloers op: iemand die echt leefde voor zijn kunst en een enorme drive had. Zelf was ik mijn hele leven al een twijfelaar en verdeelde mijn aandacht over van alles en nog wat waaronder dichten.

Remco Campert ontvangt de P.C. Hooft-prijs in 1979

Op 16 juni 1979 ontvangt Remco Campert de P.C. Hooftprijs. De prijs wordt dat jaar uitgereikt in het stadhuis van Rotterdam en degene die aan Remco Campert de prijs overhandigt is mevrouw Gardeniers, destijds Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.
Fotograaf: Rob C. Croes Bron: Nationaal Archief

Afgelopen dinsdag 20 december 2016 zag ik de documentaire van John Albert Jansen: Verloop van jaren – dichter bij Remco Campert, een prachtige documentaire die niet alleen Campert als dichter portretteert maar ook vooral als mens, als man van 87 die niet zozeer worstelt met de aankomende dood maar meer met het leven dat voornamelijk achter hem lag.

In het begin van de film geeft hij al aan dat hij in bed kan blijven liggen en denken: ik sta nooit meer op, maar dan zegt hij: “sleep ik me moedig met enorme tegenzin naar mijn schrijfmachine, typ een paar woorden en dan ben ik overeind”.

“Poëzie is een daad van bevestiging”, declameert hij in de film, “Ik bevestig dat ik leef,” gaat hij verder, “Elk woord dat wordt geschreven is een aanslag op de ouderdom. Tenslotte wint de dood, jazeker maar de dood is slechts de stilte in de zaal nadat het laatste woord geklonken heeft. De dood is een ontroering” (uit Het huis waarin ik woonde).

In het gesprek met Hagar Peeters in de film vraagt Remco Campert zich af waarom hij er niet mee ophoudt met het schrijven. Hij heeft nu wel genoeg geschreven, maar dan doemt een woestijn op, want wat doet een schrijver zonder schrijven?

Volgens zijn (vierde) vrouw Deborah Wolf, met wie hij na een eerdere breuk alweer 20 jaar samenleeft, is Remco Campert echt een ontsnappingskunstenaar. Hij neemt geen verantwoordelijkheid voor niets behalve voor zijn schrijven. “Ach ja”, voegt ze eraan toe, “de praktische dingen regel ik wel!” Ze vindt het ook prima dat hij dat doet, zeker nu hij al zijn energie nodig heeft om zich op het schrijven te richten, maar zoals hijzelf zegt: “iets waar je voortdurend mee bezig bent, kan je ook benauwd maken, dat er geen ruimte meer is om zonder woorden of letters te leven.” Maar wat gewoon leven is weet hij eigenlijk niet: “Schrijven is een obsessionele gewoonte, is leven, als ik er nu mee ophoud, ben ik er niet meer.”

Het deed me sterk denken aan een gedicht dat ik zelf schreef 40 jaar geleden:

Nu ga ik niet meer dichten
woorden rijgen
verkrachten
verschikken
nu ga ik leven
of iets wat daarop lijkt (Uit Kruispunt, 1977)

Remco Campert, die in de film vaak terugblikt op zijn leven, ziet Lucebert als zijn grote voorbeeld. Voor Lucebert moest je alles geven voor de kunst, ook zelfs fysiek. Het was alles of niets. Zou het daarom zijn, dat zijn vrouw zijn moeder aanhaalt die over Remco zei: “Die jongen heeft niets of niemand nodig.”

In een scène met zijn dochters herinnert de ene dochter Remco Campert aan haar vraag toen ze in de pubertijd was: “Pap, wie ben je eigenlijk? Ik ken je helemaal niet.” Waarop hij antwoordde: “Als je me wilt leren kennen, dan moet je mijn gedichten lezen”. Daar kon ze toen niets mee. Iedereen kon immers zijn gedichten lezen, maar hij was wel hààr vader! Ze citeert een gedicht van hem: “Ik ga er vanuit dat de ene mens niet, noodzakelijkerwijs niet belang stelt in de ander …”

Er zijn twee mensen die hem nog wel bezighouden: Aan Hagar Peeters bekent hij, dat hij pas de laatste jaren met Deborah liefde kent, daarvoor was het hooguit verliefdheid, stelde niet zoveel voor. De tweede persoon is zijn vader, Jan Campert, die hij nauwelijks gekend heeft. Net als hemzelf was Jan Campert ook een bekende dichter.

Jan Campert (1902 - 1943)

Jan Campert (1902 – 1943)

Met zijn vader (en misschien zijn dode dichtersvrienden in zijn dromen) houdt Remco Campert zich de laatste tijd bezig en zichtbaar ontroerd citeert hij een minder bekend gedicht van zijn vader: Rebels lied.

Jan Campert, die o.a, de achttien doden schreef in zijn cel, waarschuwt in het gedicht ‘Rebels lied’ Nederland voor Mussert en consorten en vooral: “die hier van goede wille zijt en ganselijk onbesmet met het kwaad van het verraad dat al op sporen zet, om af te wijzen het lokaas dat men biedt …”

Ik vroeg me af of zoon Campert zich bewust was van het opkomende populisme en de haat tegen gevestigde instituties en dat hij daarom dit gedicht van zijn vader citeert of is het toeval? Immers Jan Campert zegt van zichzelf dat hij niet zo politiek is ingesteld.

Wat ik me in elk geval realiseerde na deze film is dat ik nooit een Remco Campert kon zijn. Ik had er ten eerste natuurlijk de capaciteiten niet voor, het geduld, de drive, maar ook zou ik als vrouw en moeder me nooit voor de volle 100 procent aan het schrijven hebben kunnen wijden (zie ook mijn vorige blog Dichten vrouwen anders?). De vraag is of ik daar nu spijt van heb.


Gerelateerd:

Wat is poëzie?

Gedichten

Dichters


AANMELDEN NIEUWSBRIEF


Joyce Hes (1946), jurist, publicist, moeder en oma schrijft al vanaf haar achtste levensjaar gedichten en heeft diverse dichtbundels op haar naam staan, waaronder ‘Kwijt’ en ‘Keer op keer’. Met haar gedichten treedt zij regelmatig op in haar woonplaats Amsterdam en daarbuiten.

Geplaatst in Dichters, Opinie Getagd met