Herman Gorter breekt alle regels

Van 27 t/m 29 oktober 2017 organiseer ik, samen met de collega's van het Feest der Poëzie, Festijn van Tachtig. Dit multidisciplinaire evenement gaat over de dichters, schilders en componisten van de Beweging van Tachtig. Wij zullen tijdens dit festijn ook uniek filmmateriaal vertonen met Herman Gorter (1864 – 1927). Als voorproefje behandel ik hier een van zijn gedichten uit de bundel 'Verzen' (1890):





5.




10.





15.




20.




25.





30.

De lente - ik sta midden in haar -
o daar komt ze daar daar
daar vliegt ze op mij aan, ze zoent me,
ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me
haar zoete ademen, woord voor woord;
o en daar vliegt ze voort
de honnege fladderende lente,
daar naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten,
de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente,
de zomerige lente.

Kijk nu, ze strooit den zomer rond
die vliegt om haar rond
uit haar mond,
rond haar boezem, haar gladde rug, haar beenen
zoo donslicht omschenen,
ze gaat langs de horizonnen
maar aldoor omme,
ze heeft toch zoo veel, ze kan geven
wel, zie het lichte sneven
van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht
en daar midde' in haar gezicht
zie je het wel, zie je het wel -
hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel,
hoe kunnen we het toch verdragen
van ochtend tot avonddage,
kom weer, kom bij me weer
gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve oogenbegeer.

O ze valt op mijn borst,
haar mond midde' in de dorst
van mijn mond, haar roode zachte weeke punttong -
't is of ze heelemaal in me drong. 

Herman Gorter, Verzen (1890)


Uitgaven van Herman Gorter

In drie ademloze zinnen stort Herman Gorter deze wervelende beelden over ons heen, alle regels van de poëzie overtredend en ons toch meeslepend in zijn sensaties. Hoe krijgt hij het voor elkaar?

Toen de bundel waarin dit gedicht staat, eenvoudigweg Verzen geheten, de burelen van de critici bereikte in 1890, was de tijd er nog niet rijp voor; men vond Gorters gedichten een product van een verwarde geest, de verzen waren onbegrijpelijk (‘duister’ was een woord dat veel viel), en de bundel werd geparodieerd en bekritiseerd, en dit gedicht specifiek ook.

Slechts enkele critici, zoals Willem Kloos en Lodewijk van Deyssel, die Gorter goed kenden, begrepen de doorbraak die Gorter had bewerkstelligd, en dat zijn nieuwe richting bepalend zou zijn voor de toekomst van de Nederlandse poëzie.

Herman Gorter, Verzen

Titelpagina van Herman Gorter, Verzen (1890), exemplaar door de uitgever ingeleverd bij het Departement van Justitie. Bron: Koninklijke Bibliotheek (KB)

In een artikel in het najaarsnummer van dit jaar van poëzietijdschrift Awater (een uitgave van de Poëzieclub) betoog ik dat Gorter in zijn bundel Verzen  (1890) iets bijzonders doet: hij is slordig met zijn metrum (zijn ritme hort en stoot, zijn regels zijn afwisselend lang en kort), hij rijmt bijzonder eenvoudig (een AABB-rijmschema, ook wel bekend als Sinterklaasrijm), hij overtreedt alle stijlregels met zijn herhalingen en niet algemeen geaccepteerde beeldspraak, maar toch schrijft hij prachtige gedichten. Het is een poëzie waar niet alleen zijn tijdgenoten, maar ook wij nu van schrikken, om zijn voortdurende moderniteit.

Juist dit gedicht wilde ik hier bespreken, daar het bewijst dat álles mag in de poëzie, als je het maar góed doet. Aan het einde van de tweede strofe zegt Gorter: gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve oogenbegeer. Vier keer lieve herhalen – daar kom je eigenlijk niet mee weg. Maar op de een of andere manier weet Gorter het hier te laten werken; het is mooi zo. Deze excessieve, maar toch alleszins begrijpelijke herhalingen zien we ook bijv. ze zoent me,/ze zoent me, ze zoent me (r. 3-4), dat des te mooier wordt door het allitererende en assonerende, en ook inhoudelijk erop doorgaande, vervolg en ze noemt me/haar zoete ademen (r. 4-5).

Naast de herhalingen zijn er de opsommingen; Gorter probeert de precieze sensatie te vangen die hij ondergaat, en hij heeft daarvoor alle beeldende kracht nodig die het Nederlands hem kan geven, en wellicht meer: de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente, /de zomerige lente (r. 9-10), van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht  (r. 20), en hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel (r. 23). Je ziet hem denken: ‘Zilveren… nee, wacht: zilvervoetige, nee: zilverhandige’, hij struikelt over zijn woorden als hij het precies probeert te beschrijven. Dit werkt bijzonder innemend.

Naast de vorm is er natuurlijk de inhoud. De lente wordt hier gepersonifieerd; ze zoent de dichter, vliegt, bewonderd door de dichter, weg, en komt na een vlucht die de dichter drijft tot visionaire verklaringen over het licht dat ze uitstraalt, bij hem terug, om hem opnieuw innig te zoenen. Het enthousiasme spat ervan af, de erotiek is nauwelijks verholen, maar alsnog gestileerd in de mythologische gestalte van dit geïncanneerde seizoen.

Herman Gorter

Herman Gorter

Het gedicht is in door Gorter gereviseerde herdrukken van deze bundel weggelaten – wat mij betreft onterecht! De muzikaliteit, de moderniteit en de bevlogenheid in dit gedicht zijn nog even sterk als meer dan een eeuw geleden.

Op het multidisciplinaire Festijn van Tachtig van 27 t/m 29 oktober te Amsterdam is er alle aandacht voor Herman Gorter, zijn collega’s van de Beweging van  Tachtig en hun invloed op hedendaagse dichters en kunstenaars. Tijdens het programma over Gorter ‘Kom zijn liefste’ brengt Stichting Feest der Poëzie niet alleen soundscapes op Gorters Verzen, maar ook nauwelijks bekend bewegend beeld van Gorter uit het familie-archief van zijn maîtresse Jenne Clinge-Doorenbos, via EYE Filmmuseum.

Meer informatie: www.festijnvantachtig.nl


Bronvermelding:
Voor dit stuk heb ik geput uit de geannoteerde versie van Verzen 1890, van Enno Endt (1987, Uitgeverij Ambo/Athenaeum - Polak & Van Gennep, Baarn / Amsterdam)


Simon Mulder schreef deze gastblog op verzoek van de redactie van Poëzie verrijkt het leven.

Wil jij ook met een gastblog op Poëzie verrijkt het leven? Stuur een mail naar info@poezieverrijkt.nl!


Gerelateerd:


AANMELDEN NIEUWSBRIEF


Simon Mulder is dichter, voordrachtskunstenaar, historisch taalwetenschapper, docent klassieke talen en oprichter van Stichting Feest der Poëzie, maakte de CD ‘Verzen 1890’ met soundscapes en gedichten van Gorter, en organiseert Het Festijn van Tachtig, 27 t/m 29 oktober 2017.

Geplaatst in Dichters, Gedichten, Opinie Getagd met , ,