Gedicht van Piet Paaltjens


De zelfmoordenaar

   In het diepst van het woud
   – ’t Was al herfst en erg koud –
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
   Och, zijn oog zag zoo dof!
   En zijn goed zat zoo slof!
En hij tandknerste, als was hij aan ’t malen.

   ‘Ha!’ dus riep hij verwoed,
   ”k Heb een adder gebroed,
Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!’
   En hij sloeg op zijn jas
   En hij trapte in een plas
’t Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

   En meteen zocht zijn blik
   Naar een eiketak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torschen.
   Daarna haalde hij een strop
   Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.

   Het werd stil in het woud
   En wel tienmaal zoo koud,
Want de wintertijd kwam. En intusschen
   Hing maar steeds aan zijn tak,
   Op zijn doode gemak,
Die mijnheer, tot verbazing der musschen.

   En de winter vlood heen,
   Want de lente verscheen,
Om opnieuw voor den zomer te wijken.
   Toen dan zwierf – ’t was erg warm –
   Er een paar arm in arm
Door het woud. Maar wat stond dát te kijken!

   Want, terwijl het, zoo zacht
   Koozend, voortliep en dacht:
Hier onder deez’ eik is ’t goed vrijen,
   Kwam een laars van den man,
   Die daar boven hing, van
Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen.

   ‘Al mijn leven! van waar
   Komt die laars?’ riep het paar,
En werktuigelijk keek het naar boven.
   En daar zag het met schrik
   Dien mijnheer, eens zoo dik
En nu tot een geraamte afgekloven.

   Op zijn grijnzende kop
   Stond zijn hoed nog rechtop,
Maar de rand was er af. Al zijn linnen
   Was gerafeld en grauw.
   Door een gat in zijn mouw
Blikten mieren en wurmen en spinnen.

   Zijn horloge stond stil,
   En één glas van zijn bril
Was kapot en het ander beslagen.
   Op den rand van een zak
   Van zijn vest zat een slak,
Een erg slijmrige slak, stil te knagen.

   In een wip was de lust
   Om te vrijen gebluscht
Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het spreken.
   ’t Zag van schrik zóó spierwit
   Als een laken, wen dit
Reeds een dag op het gras ligt te bleeken.

Piet Paaltjens


Over het gedicht

Het gedicht De zelfmoordenaar van Piet Paaltjens is waarschijnlijk één van de beroemdste komische gedichten uit de negentiende eeuw. Dit gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel Snikken en grimlachjes uit 1867. In veel gedichten uit deze bundel vinden wij eenzelfde cynische houding ten opzichte van de Romantiek terug als in bovenstaande gedicht.

Voor deze pagina hebben wij gebruikgemaakt van de tekst van het gedicht zoals dat verscheen in de uitgave van Snikken en grimlachjes uit 1998 door Em. Quirido’s Uitgeverij B.V.


Gerelateerd:


AANMELDEN NIEUWSBRIEF