Gedicht van Simon Mulder


De mannen van de geest, die nacht aan nacht
Steeds tussen stapels boeken zijn gezeten
De mannen die, soms bladerend verbeten,
Alsof in boeken wat zij zochten wacht,

En dan weer kortaf krassend met hun pennen,
Daar kalend en uitdijend in hun stoel
De jaren tellen – en voor welk doel?
Zij denken het heelal te kunnen mennen

Met wet en stelsel op te kunnen tuigen
En jagen op de sterren in hun vlucht;
De mannen, die nog met hun laatste zucht
De wereld voor zich willen laten buigen

De mannen, die in kamertjes doorrookt
Elkaar bestrijden om een onnut feit
En zich verheugen om een nietigheid –
Het spookt om hen zoals het in hen spookt

Als men hen ziet, ziet men hen ontevreden;
De mannen van de geest, die nacht aan nacht
Steeds vrezen dat hun waarheid wordt ontkracht:
Tot deze orde ben ik toegetreden.

Simon Mulder, 2011


Over het gedicht

Bovenstaande gedicht van Simon Mulder is oorspronkelijk gepubliceerd in het fraai vormgegeven literaire tijdschrift Avantgaerde: Leest der Poëzie, jaargang 2.

Is de ik-persoon uit het gedicht dezelfde als de dichter? Simon Mulder houdt hier wijselijk zijn mond over.


Gerelateerd:


AANMELDEN NIEUWSBRIEF