Gedicht van Martinus Nijhoff: De wolken


De wolken

Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder,-
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat mijn moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat ik niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ‘t vreemde ding,
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie ik in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide

Martinus Nijhoff (1894 – 1953)

Bron:
Martinus Nijhoff, 2000, lees maar, er staat niet wat er staat, Uitgeverij Prometheus, Amsterdam


Over het gedicht

In het gedicht wordt er gebruik gemaakt van omarmend rijm, namelijk a-b-b-a. Het gedicht bestaat uit 4 strofen van 4 regels. Dit zijn beide aspecten die bij gedichten van Martinus Nijhoff regelmatig voorkomen.


Gerelateerd:


 


AANMELDEN NIEUWSBRIEF

De nieuwsbrief van Poëzie verrijkt het leven gaat over dichters, gedichten, poëzietermen en andere poëziegerelateerde zaken.