Gedicht Anton de Kom: De slavin uit Suriname


De slavin uit Suriname

Tegen de Troeriehut zat neergedrukt
Een zwarte vrouw, een slavin, de sloof.
Voor de schoone geluiden was ze doof
Nog bekoord door een heerlijke omgeving
Slechts de kilte gaf haar een beving.
De zon was van ’t zelfde goud van de Goudkust
Dezelfde geur van bloesems uit Loango*
Mieren zwoegden om haar henen.
Ze was zo koud o van top tot haar teenen
Gado Didi trilden tegen haar slappe beenen.
Groener en frisscher dan de leguanas.
Er kwam beweging in haar handen
Gekloofd alsof de ploeg erin heeft gewroet
Gewerkt heeft ze altijd, maar voor hen,
Voor dat eeuwig brutale addergebroed.
Hoorde ze niet de stem van dat zwijn.
Slaag had ze gekregen, toen viel ze in zwijm
Nog had ze striemen, haar gezicht bebloed
Maar nu, nu was ze voor altijd vrij
Welke heer, welke meester wil er een slavin
Een doode, en liefst een doode zwarte vrouw
Waarvoor, goud kreeg je er niet voor
Naar de hel met haar, nu is ze vrij
Toen schaduwde de cederloof
De beek kabbelde met water als ivoor
De vogels jubelden allen in koor:
Vrij, vrij, voor eeuwig vrij.

Anton de Kom (1898 – 1945)


– Boeken van Anton de Kom –


Over het gedicht

De Surinaamse schrijver Anton de Kom werd vooral beroemd door zijn boek Wij slaven van Suriname uit 1934, maar daarnaast schreef hij ook gedichten.

Echter de gedichten van Anton de Kom verschenen pas voor het eerst in boekvorm in 1969 in de bundel Strijden ga ik. Bovenstaande gedicht komt ook uit deze bundel.

Op jonge leeftijd was Anton de Kom al geïnteresseerd in de geschiedenis van Suriname. Volgens het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland (BWSA) praatte Anton de Kom in zijn jeugd veel met oudere mensen die zich de slavernij herinnerden. Ook zijn eigen vader was in slavernij geboren.


AANMELDEN NIEUWSBRIEF


Gerelateerd: