Gedicht Jan Campert: Het lied der achttien dooden


Het lied der achttien dooden

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Holland’s vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind,
hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar ‘t hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss’lijk stuk bestond
en Holland’s landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie,
– zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar –
verwerp al wat hij biedt
of bood die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan ‘t allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk
– er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe’t eerste morgenlicht
door ‘t hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht
– en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man
als ‘k voor de loopen sta.

Jan Campert (1902 – 1943)


Over het gedicht

Zonder enige twijfel is Het lied der achttien doden het bekendste Nederlandstalig verzetsgedicht uit de Tweede Wereldoorlog.

Jan Campert schreef het gedicht in 1941. Het gaat over 15 verzetsstrijders en 3 stakers. De verzetsstrijders waren lid van de Geuzen-groep. De stakers hadden deelgenomen aan de Februaristaking. Allen waren door de Duitse bezetters ter dood veroordeeld en gefusilleerd. Het gaat om de volgende mannen:

  • Jan Wernard van den Bergh (47 jaar), slijper
  • George de Boon (21 jaar), metaalbewerker
  • Reijer Bastiaan van der Borden (32 jaar), hulppolitieagent
  • Nicolaas Arie van der Burg (36 jaar), vertegenwoordiger
  • Hermanus Mattheus Hendricus Coenradi (31 jaar), elektricien
  • Jacob van der Ende (22 jaar), schilder
  • Joseph Eyl (44 jaar), magazijnbediende
  • Albertus Johannes de Haas (37 jaar), metaalgieter
  • Eduard Hellendoorn (28 jaar), kunstschilder
  • Bernardus IJzerdraat (49 jaar), gobelinrestaurateur
  • Leendert Keesmaat (29 jaar), onderwijzer
  • Jan Kijne (46 jaar), vertegenwoordiger
  • Ary Kop (40 jaar), verzekeringsagent
  • Dirk Kouwenhoven (24 jaar), stoker
  • Leendert Langstraat (31 jaar), machinebankwerker
  • Frans Rietveld (36 jaar), slijper
  • Johannes Smit (30 jaar), monteur
  • Hendrik Wielenga (37 jaar), elektrotechnicus

Het gedicht werd voor het eerst op 10 februari 1943 gepubliceerd in de illegale krant Het Parool. Daarna verscheen het gedicht op 21 februari 1943 in het illegale blad Vrij Nederland. Het gedicht kreeg nog grotere bekendheid toen hij vanaf april 1943 als geïllustreerde rijmprent werd verspreid met de ingekorte titel De Achttien Dooden.


Gerelateerd