Gedicht van De Schoolmeester: Proeve van dichterlijke waarnemingen


Proeve van dichterlijke waarnemingen

Een onwederlegbre waarheid
Is het, dat, by middagklaarheid,
De avond zelden duister spreidt;
Daar-en-tegen biedt het duister
Ons zeer zelden zonneluister;
Dit is zelfs een duidelijkheid.

Zoo kan men, op den dag van morgen,
Niet meer voor dien van gistren zorgen,
En ook niet fluiten als men eet;
En, waar geen bel is, ook niet bellen;
En in persoon geen brief bestellen,
Als men ‘t adres des briefs niet weet.

Zoo ziet men zelden ijzer drijven,
Of in koud water gloeiend blijven,
En evenmin een veldkonijn
Een hokkeling naar binnen slikken;
Of ‘t beestjen (zal ‘t niet daadlijk stikken)
Moet grooter dan een koebeest zijn.

Zoo kan men haast voor zeker zeggen,
Dat, wie zelf eieren kan leggen,
Geen haan of kippen heeft van doen;
Tenzij zijn kiesche dischgenooten
Zijn huisbak onbeleefd verstooten
En ‘t ei verkiezen van het hoen.

Zoo ziet men eer een zwerm van muggen,
Dan kemels met gebulte ruggen
In zwermen vliegen om de kaars:
Zoo worden, aan den rand der slooten,
De reigers, met hun lange pooten,
Zeer zelden opgeslokt door baars.

Zoo is de zevende verdieping
Vrij van verzakking en van zwieping,
Als men maar één verdieping heeft:
Zoo zal een eerlijk man zijn kiezen
Nooit op zijn derde jaar verliezen,
Als hy maar dertien weken leeft.

Zoo zou ik byna durven zweren,
Dat kinders in de lange kleêren
Meest korter zijn dan hun japon:
Zoo slaat men aan een rieten hengel
Veeleer een worm aan dan een Engel;
Gesteld, dat m’ Englen krijgen kon.

Zoo schenkt men zelden worst uit kruiken,
Of witten wijn uit palingfuiken,
Of rooden uit een leêge flesch:
Zoo snuift men zelden uit zijn schoenen
En snijdt geen messen met kapoenen,
Maar meest kapoenen met een mes.

Zoo ziet men aan de onzichtbre transen
Geen morgen-avond-weêrschijn glansen,
Geen regenachtig ijsgareel:
Zoo zal de toon der boschkoralen
Geen brieschend strijdros achterhalen
By ‘t schel geluid van Philomeel.

Laat vrij de hel dan zinloos woeden,
De hemel in de pekelvloeden
Zich storten van der Alpen kruin;
Ons lacht de gouden zonneregen
In ‘t druivenat der perzik tegen
En voert, langs ongenaakbre wegen,

Ons naar ‘t gewest van smart en zegen.
Naar ‘t ontoegankelijk ‘Woestduin.’

Bron:
G. van der Linde, 1975, Gedichten van Den Schoolmeester, Den Haag: Uitgeverij Kruseman


Over het gedicht

Het gedicht is een absurdistische voorstelling. Er ligt een diepere betekenis achter zinnen die op het eerste gezicht oppervlakkig en haast nutteloos lijken.

In het gedicht komt duidelijk de knittelvers van Van der Linde naar voren. Er zit in de rijm geen duidelijk ritme. Wel wordt er veel gespeeld met de herhaling van klanken.


Gerelateerd


 


AANMELDEN NIEUWSBRIEF

De nieuwsbrief van Poëzie verrijkt het leven gaat over dichters, gedichten, poëzietermen en andere poëziegerelateerde zaken.