Gedicht Willem Kloos: Ik ben een God


Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en ’t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zeg, uit eigen krachten, –

En als een heir van donker-wilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor ’t heffen van mijn hand en heldre kroon:
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten.

En tóch, zoo eind’loos smacht ik soms om rond
Úw overdierbre leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar ‘k niet langer woorden vond.

Willem Kloos (1859 – 1938)


Over het gedicht

De eerste regel uit bovenstaande gedicht van Willem Kloos groeide uit tot één van de beroemdste beginregels uit de Nederlandse poëzie: Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten.

Dit gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in 1894 in de bundel Verzen. In deze bundel is het sonnet V. Een sonnet is een rijmend gedicht van 14 regels.

Wij hebben het gedicht overgenomen uit een recente herdruk van de bundel Verzen.


Gerelateerd:


AANMELDEN NIEUWSBRIEF