Sonnet van Michel van der Plas


Als ik koning was en rijk en machtig
– maar ik dien alleen, ik wil ook dienen
en ik ben altijd de ongeziene
ster van na de hondenwacht indachtig –,

als ik koning was – maar ach, ik droom maar –
en ik weet niet eens hoe ik moet dromen,
want de haast al dierbare fantomen
van mijn knechtschap zijn toch onontkoombaar –:

als ik miste wat ik nu kan strelen:
lompen, korsten, muren, ketens, wonden,
zou ik mijn brood niet meer met vogels delen,
niet meer hunkeren naar meisjesmonden,
en de God van straks en zopas
hij zou ver zijn, als ik koning was.

    Voor Jan Leyten

Michel van der Plas (1927 – 2013)


Over het gedicht

Bovenstaande sonnet van Michel van der Plas is opgedragen aan Jan Leyten. Hij was een katholieke schrijvers-vriend van Michel van der Plas. Samen wilden zij een tijdschrift oprichten met de titel Amphoor. Dit moest een literaire periodiek worden voor katholieken én protestanten. Het tijdschrift is echter nooit verschenen.

Michel van der Plas schreef poëzie om zijn eigen bestaan zin te geven. In bovenstaande gedicht beschrijft hij een droom, maar hij realiseert zich tegelijkertijd wat hij zou missen als die droom zou uitkomen. Zijn geloof in een God is ook een thema in dit gedicht.

Verder gaat het gedicht over nederigheid. Michel van der Plas heeft zich vaak een in een nederige rol gevoeld in zijn leven. Dit zien wij niet alleen terug in zijn gedichten, maar bijvoorbeeld ook in zijn vriendschap met Godfried Bomans. Michel van der Plas achtte Godfried Bomans boven hem verheven.


Bronvermelding:
Bovenstaande gedicht van Michel van der Plas hebben wij overgenomen uit de bundel:

  • Michel van der Plas, 1948, Als ik koning was, Voorhout: Uitgeverij Foreholte

AANMELDEN NIEUWSBRIEF


Gerelateerd: