Wat is ironie?

Ironie als stijlfiguur komt in twee vormen voor.

Ironie als een vorm van bedekte spot. Je gebruikt ironie als stijlmiddel op het moment dat je het tegenovergestelde zegt van wat je daadwerkelijk bedoelt. Vaak heeft dit een komisch doeleinde, allerminst bitter of kwetsend.

Het kan ook zijn, dat een situatie ironisch is. Je spreekt dan van ironische tegenstrijdigheid. Deze vorm van ironie geeft een interne tegenstrijdigheid van een situatie aan: een soort komische toevalligheid. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de ontdekker van elektriciteit zelf is gestorven aan een elektrische schok.

Aangezien je ironie vaak impliciet gebruikt, kan het zijn dat je publiek niet doorheeft, dat je iets ironisch bedoelt. Dit kan een hoop verwarring opleveren. Zodra je ironie in spreektaal inzet, is het daarom van belang, dat je let op de intonatie om je intentie op de juiste manier op je gesprekspartner over te brengen.

Hoe verschilt ironie van sarcasme? 

Sarcasme is een zijstroom van ironie. Met een sarcastische opmerking zeg je ook het tegenovergestelde van wat je daadwerkelijk bedoeld. Echter, sarcasme wordt vaak gebruikt met een kwetsende intentie. Het wordt bewust ingezet om met een persoon of situatie te spotten.

Sarcasme is dus intentionele spot, terwijl ironie een bedekte vorm van spot is.

Ironie in poëzie

Voorbeeld ironie: Ingmar Heytze

‘Poëzie is entertainment,’ zei Heytze ooit in een interview. Binnen zijn gedichten hangt Heytze graag de komiek uit. Lichtvoetige gedichten met herkenbare beeldspraak, maar die toch de authentieke stem van Heytze weergeven.

Ironie is een veelvoorkomend thema binnen de poëzie van Heytze. Zijn gedichten vallen onder dit stijlfiguur vanwege het feit dat Heytze binnen zijn gedichten wel spot, maar dit op een bedekte en haast respectvolle manier doet.

Zo vertelt Heytze in de video hieronder het verhaal van Adam en Eva op een alternatieve manier: : Het paradijs is een auto op de automatische piloot die Adam en Eva naar de mooiste plekjes rijdt, zonder dat het paar weet wat de eindbestemming is. God zit zwijgend op de achterbank.Het koppel is volmaakt gelukkig totdat Eva op het verboden knopje druk.

Een vorm van bedekte spot en daarmee ironie.

Voorbeeld ironie: Inge Boulonois

In de snelsonnetten van Boulonois is een hoop humor te vinden. Vaak drijft ze binnen haar gedichten de spot met zichzelf of haar omgeving.

In het onderstaande gedicht vind je een voorbeeld van ironische tegenstrijdigheid. Boulonois beklaagt in dit snelsonnet haar buren die thuis overmatig alcohol drinken, omdat het uitgaansleven is gesloten, terwijl ze zelf overduidelijk ook te diep in het glaasje gekeken heeft. Er is dus sprake van een komische toevalligheid.

Guilty pleasure

Ik merk het bij mijn vrienden en de buren
Geen uitgaansleven voelt heel apnormaal
Nu hijsen sij steeds thuis, haasst machinaal
Ferfoeilijk, stom… dat gaat se straks besuren!

En ik? Ick doe daar, egt waar… noooit aan mmee
Ik hou ut…hik…steetss… bei un pottje tee

Voorbeeld ironie: Jan Kal

In de beschreven situatie, die volgens Jan Kal autobiografisch zou zijn, is een interne tegenstrijdigheid aanwezig, een vorm van ironie.

Enerzijds denkt Jan Kal terug aan dit moment in de zomer als een moment van geluk, aangezien hij de dood ontglipt is. Anderzijds baalt Kal aan het einde van het gedicht dat zijn naam niet op het dodenplaquette staat, om eeuwen daarna nog herinnerd te worden. De lezer gaat ervan uit dat de laatste regel spottend is bedoeld. Dat maakt dit gedicht ironisch.

Bomaanslag Bologna
2 augustus 1980

Wanneer ik pech heb zie ik toch de zon,
want bijna stond ik op een dodenlijst
die zomer, naar Italië gereisd
om bij te komen met kutzwager Ton.

Nog één dag rekken bleek te duur geprijsd:
slechts koffie in Bologna, op ‘t station.
Hoewel ik dacht dat nog wel eentje kon,
zei Ton: ‘Ik rijd nu weg.’ Dat bleek het wijst.

Te Beekbergen deed ons het nieuws verbazen:
Centraal Station Bologna opgeblazen!
We waren tien minuten eerder weg.

Op de plaquette worden niet voor eeuwen
herdacht: Saskia Dolk, Jan Kal, Ton Scheeuwe.
Verdikkeme, ik heb ook altijd pech. 

Voorbeeld ironie: Gerrit Komrij

Dichter Gerrit Komrij is misschien wel de absolute meester van ironie. Hij heeft altijd gebaald van het feit dat zijn dichtkunst nooit even beroemd is geworden als zijn kritische stukken en bloemlezingen. Misschien is dat één van de redenen dat Komrij ironie in zijn gedichten veelvuldig gebruikt.

In het onderstaande gedicht van Gerrit Komrij bespot hij gedichten in het algemeen. Hij drijft de spot met de complexiteit, dubbele betekenissen en onverwachte wendingen, die je veel terugvindt in gedichten. Het is een vorm van bedekte spot.

Aan het begin van het gedicht heb je het gevoel dat het ergens heen gaat, dat het aan het einde toch nog een bepaalde onderliggende betekenis heeft. Echter met de laatste regel maakt Gerrit Komrij duidelijk dat lezer vergeefs op betekenis heeft gewacht.

Een gedicht

De eerste regel is om te beginnen.
De tweede is de elfde van beneden.
De derde is om wat terrein te winnen.
De vierde moet weer rijmen op de tweede.

De vijfde draait u plotseling een loer.
De zesde heeft het twaalftal gehalveerd.
De zevende schijnt zwaar geouwehoer,
De achtste bloedserieus. Of omgekeerd.

De negende vertelt nog eens hetzelfde.
De tiende is misschien een desillusie.
De elfde is niets anders dan de elfde.
De twaalfde is van niets de eindconclusie.

Voorbeeld ironie: Constantijn Huygens

Voor wie denkt dat poëzie van vroeger slechts bloedserieus was, heeft het bij het verkeerde eind. Constantijn Huygens gebruikte in zijn gedichten een hoop satire, humor en ironie. Zijn poëzie bevatte veelal complexe, maar ook simpelere gedichten met dubbele betekenissen.

Huygens schreef zijn gedichten bewust niet op een toegankelijke toon. Hij wilde dat zijn teksten niet op het eerste oog voor verduidelijking zouden zorgen bij de lezer. Pas na een paar keer lezen zou de lezer het verrassende inzicht ontdekken.

In het onderstaande gedicht drijft Huygens de spot met de Petrarkische liefdesgedichten: een stroming van liefdespoëzie die erg populair was in de renaissance. In een Petrarkisch gedicht wordt een onbereikbare vrouw bezongen en geïdealiseerd.

Op het eerste oog lijkt het gedicht van Constantijn Huygens een lieflijk gedicht, maar algauw wordt duidelijk dat het gedicht komisch bedoeld is. Dit is dus een vorm van bedekte spot.

Annas verwarde schoon

Haer’ ooghen zyn schoon rood, haer’ lippen blanck en bleeck,
Haer handen hard en stijf, haer Borsten slapp en weeck,
Haer neus is dunn en spits, haer vingers lomp en plompjes,
Haer knijen schrael en small, haer voeten rond en stompjes,
Haer voorhoofd kort van leest, haer’ ooren lang van lidt,
Haer’ tanden groot en zwart, haer’ tuyten klein en witt,
Haer hals is als een’ worst, haer middel als een’ wijn-tonn:

Men vindt’er alles in wat in een’ schoonheid zijn kon,
Tis altemael wat goeds, ’tis altemael wat fraeds:
De kleine schorting is, ‘ten staet niet op sijn plaets:
De somm is goed en groot, genoegh om uyt te munten;
Maer ’tis een’ mengelbors van veel verwarde munten;
‘T en is geen schoonheit, ‘t is een’ schoonheits Annagram,

En als ick haer soo prijs, soo werdt ons’ Anna gramm.

Ten slotte

Vincent Rietveld, een Nederlandse acteur, sprak van een goed en een slecht soort ironie. Het goede zou hierin een hogere communicatievorm zijn waarin iets duidelijk wordt gemaakt, door iets op de hak te nemen. Het slechte zou achteraf moeten worden uitgelegd en wordt gebruikt om jezelf in te dekken.

Ironie, een bijzondere en zeer komische manier van spreken. Dit stilistische middel kan mooie gedichten opleveren, mits je het op de juiste manier inzet.


Gerelateerd


AANMELDEN NIEUWSBRIEF

De nieuwsbrief van Poëzie verrijkt het leven gaat over dichters, gedichten, poëzietermen en andere poëziegerelateerde zaken.